miércoles, 11 de noviembre de 2020

 

Alternatieve voorhoede zweeft in de Zanzibar (Rob van Hese)                                                                                 23-09-2015)

Paul Scholten Zanzibar 1967.jpg

Wanneer ik naar mijn stamkroeg Seventy Seven ga, valt mijn oog vaak – je kan er eigenlijk niet naast kijken – op buurzaak Zanzibar. Die Zanzibar is niet de Zanzibar van mijn jonge jaren, want die was midden jaren ’60 van de vorige eeuw gevestigd aan het Kerspel 13. De omwonenden zagen geen heil in de opening van een café in het Kerspel. Ze ageerden tegen de komst en zeiden dat ze al genoeg last hadden van stappers uit bar Alassio aan de Zusterstraat. Ze haalden bakzeil en C. Olthoff opende de Zanzibar (2) in augustus 1965. Een jaar later verkocht hij de zaak aan Utrechter Paul Scholten. Toen begon het feest pas echt …

Paul had een perfect gevoel voor de tijdgeest en richtte het kroegje voor die tijd revolutionair in. Zo kleefde er bijvoorbeeld een fiets aan het plafond. De alternatieve voorhoede wist de weg naar het Kerspel vrijwel meteen te vinden. Fotograaf en geboren Middelburger Ruben Oreel was er een vaste klant, evenals muzikant Johnny Caljouw die later nog furore zou maken met Dragonfly. In de Zanzibar rookte ik mijn eerste pretsigaret en zweefde eeuwen later op vleugels van intense vreugde naar huis. Op zondagmiddag stond er altijd een pan soep op de potkachel. De inwendige mens werd op de wenken bediend door Corry Heesakkers. Zij had de bijnaam ‘vliegtuugje’ vanwege haar opvallend getekende wenkbrauwen. In 1967 opende Scholten de alcoholvrije bar Pauls Huisje aan de Beddewijkstraat en ook daar stond Corry pal. Twee jaar later kwam de klad een beetje in de Zanzibar en dat had een enigszins paternalistische reden. De leerling-verpleegsters van het Gasthuis waren nu ook kind aan kroeg in het Kerspel tot de directie meende daar een stokje voor te moeten steken. Geneesheer-directeur Stevens meldde in de PZC dat er gegronde redenen waren om lokalen des verderfs als de Zanzibar en Michieltje in Vlissingen tot verboden gebied voor de loze zustertjes te verklaren. Afijn, Paul zag het niet meer zitten en deed de Zanzibar in 1969 over aan beeldend kunstenaar Erik Kettmann die zijn zaak Drinkhuis de Pijp doopte. Men heeft niet lang in de Pijp gedronken, want nog datzelfde jaar werd Jarl Mulder – hij was later jarenlang badmeester in De Goudvijver in Serooskerke – de nieuwe eigenaar. Hij noemt zijn zaak Maximbar. In maart 1970 verscheen er nog een advertentie in de PZC dat de Maximbar, voorheen Zanzibar, weer was geopend, maar het lijkt erop dat de zaak kort daarna zijn laatste adem uitblies en uitging als een nachtkaars.

Speurend op internet naar een foto van de Zanzibar, kwam ik terecht op de site van De Nooijer Makelaars in Arnemuiden. Daar vond ik een prachtige foto van het pand Kerspel 13 dat bij genoemde makelaars te koop staat. De site geeft keurig aan dat een geïnteresseerde in het pand een link kan aanklikken. Dat heb ik niet gedaan, hoewel de muis al wel aanstalten daartoe maakte. Het zou me desondanks toch een paar lieve duiten waard zijn om weer eens te kunnen zweven in de Zanzibar.

martes, 10 de noviembre de 2020

 


Kroegpraat: Een luis aan de ketting (Rob van Hese, 2 december 2015)

Men kan er niet omheen dat er na de Tweede Wereldoorlog meer is verwoest in Middelburg dan in de oorlog zelf. Zo werd begin jaren ’70 een hele buurt met de grond gelijk gemaakt. Ten faveure van de Schroebrug en zwembad Poelendaele verdween in één klap de warme driehoek, die bestond uit het Vlissings Wagenplein, de Teerpakhuizenstraat en de Winterstraat. De driehoek was warm, maar vooral ook ros, omdat de heren zich er met lichte meisje konden vermeien.

Eind 19e eeuw kon men terecht bij Tannetje Groenhof in herberg Nooit Gedacht aan het Vlissings Wagenplein. Haar buurtgenote Maatje Florisse had Tannetje en plein public eens toegevoegd: ‘Gij houdt een publiek h… met je dochter, gij zijt een h…’. Het bierhuis van Carl Trappmann aan het Vlissings Wagenplein was ook een optie en dan was daar natuurlijk nog Madame Anna Stossberg. Zij verkaste haar bordeel in 1885 van de Winterstraat naar de Molenberg. Ik zou over ieder willekeurig etablissement in de warme driehoek wel een verhaal willen schrijven, maar beperk me nu tot het adres Vlissings Wagenplein Q 113 op de hoek van de Winterstraat. Begin 19e eeuw was daar herberg Het Scheepje Petri gevestigd. Helaas valt daar weinig over te vertellen. Opvolger De Verwachting hield open huis van ongeveer 1860 tot 1928. Het was er een komen en gaan van eigenaren. De laatste, Jan Schuit, vertrok in 1928. In dat jaar veranderde De Verwachting in ’t Hoekje.

Op zaterdag 2 februari opende Krijn Wielemaker café ’t Hoekje, maar twee jaar later verkocht hij de tent aan Marinus Cozijn. Cozijn zette meteen zijn naam op de gevel, die daar tot het bittere einde is blijven staan. Marinus’ broer Frans zat ook in de Middelburgse horeca, maar hij hield het niet, zoals Marinus, bij één café. Hij zat in de Reizende Koopman aan de Hoogstraat, de Stad Goes aan de Varkensmarkt, Zeelandia aan de Winterstraat en het Melkboerinnetje in de Vlissingsestraat. Hij besloot zijn carrière in de Zwarte Ster, ook aan de Vlissingsestraat, schuin tegenover ’t Hoekje van broer Marinus. Marinus deed ’t Hoekje in 1940 over aan Johan van der Weij, die met frisse moed zijn logement deed. Vier jaar later deed zich echter een drama voor in de familie Van der Weij dat pas in januari 1946 aan het licht kwam.

Verzetsheld Johan van de Weij jr. werd in september 1944 gefusilleerd in de duinen bij Valkenisse. Wellicht greep dat drama Johan sr. zodanig aan dat hij de zaak daarna danig liet versloffen. In de volksmond werd ’t Hoekje ‘luis aan de ketting’ genoemd, een staande uitdrukking die stond voor een vuil en slecht logement. Ik ken ’t Hoekje vanaf eind jaren ’50. Het had op mij een vreemde, ietwat macabere bekoring. Een logement, dacht ik, waarin geesten logeren, geesten die echter al eeuwen de geest hadden gegeven. Uiteindelijk gaf ’t Hoekje zelf de geest en werd het geslachtofferd voor de vooruitgang die, met de kennis van nu in de binnenzak, alleen maar achteruitgang bracht. Het kan verkeren.

 

J´ai rendezvous avec vous

De burrie

Loop je vanaf de Goese Korenmarkt de Eigenhaardstraat in sla je aan het eind linksaf dan kijk je naar de Nieuwepoort met zicht op de Lange Jan. Aan de linkerkant was in de jaren 50 het winkeltje van Maranus. ´t Boerenvrouwtje hielp je vanachter haar toonbankje aan een kauwgombal of een zakje  dropjes. Mijn vader rookte Miss Blanche. Zaterdagsmiddags ging ik met hem mee om een pakje van tien te kopen. Hij moest bukken om het winkeltje binnen te komen. Die lange vader Frans en dat kleine boerenvrouwtje met haar mutsje op. Maranus zelf was een onooglijk mannetje met een druipneus en een schipperspet.­­ Hij kwam bij ons aan de deur om de huur op te halen. Als mijn moeder hem het geld gaf schreef hij dat tegen de deurpost op in een beduimeld boekje. Het boerenvrouwtje was vriendelijk en in het winkeltje rook het naar tabak en snoep. Als je wormen nodig had om onderaan de Bellinkbrug aan de kant van de Kinderdijk te gaan vissen, nam ze je mee achter het winkeltje waar een mesthoop lag. Met een blikje in de hand ging je op zoek naar dikke vette wormen waar de vissen wel in zouden bijten. Ik kan me niet herinneren ooit wat gevangen te hebben maar het lager gelegen aanlegsteigertje naast de brug was een beschutte plek waar je in het donker-groenige water de Rouaaanse Kaai weerspiegeld zag.

Voor broer Frits, vijf jaar ouder dan ik, maakte opa Frits Cosijn in de tuin van het Schoorsteenvegerssingeltje een karretje, een burrie, zoals opa dat noemde. De burrie luidde Frits zijn handelsloopbaan in. Hij ging ermee naar ´t boerenvrouwtje en knapte voor haar allerlei karweitjes op. Het vervoeren van de mest, het wegbrengen van de lege dozen en oud papier dat hij naar Van Oorschot in een van de voormalige VOC-pakhuizen aan de Kuiperspoort bracht. Een keer kwam hij thuis met een doos Mascottevloeitjes. De vloeitjes plakten niet meer. Ik was nog te klein voor dat soort zaken.

Frits en ik gingen vaak naar opa en opoe. Via het halletje, waar op een tafel een accordeon stond ging je met een korte trap naar beneden. Je kwam dan in de woonkeuken, die weer uitkeek op de lange tuin. Aan het eind van de tuin was het Achtersingelje, dat weer grensde aan het Vlissings Bolwerk.

Opa hield van “dollen” zoals opoe dat noemde en deed dan goocheltrucs. Met drie halve walnoten en een kersenpit liet hij me raden waar de pit gebleven was. Zo moet hij in het café menig biertje gewonnen hebben, want dat lustte hij graag. Hij bokste met mij om de vetlederen medaille, die hij uit een dikke lap bruin leer sneedt. Als ik won hing hij mij die om aan een leren veter. Hij noemde mij Sonnie en zong met Al Jolson op de radio mee. Ome Jantje, de jongere broer van mijn moeder Anneke had een accordeon en als hij thuis was speelde hij de begeleiding. Ome Jantje had een neef Mieleke met wie hij tijdens de kermiscoursen wielrende. Ze reden in Heinkenszand of ´s Heerenhoek. Gingen met de boot over naar Zeeuws Vlaanderen om daar of zelfs in België te coursen. Het ging hun om de gezelligheid, de meisjes en het meedoen. Winnen deden ze niet en reden vaak de cours niet uit om aan te leggen in een cafeetje en het stof met een biertje weg te spoelen.  Onze Jan, zoals hij door de zussen Ciska, Anneke, Marieke en Gonneke werd genoemd, leek op zijn moeder. Een knappe pezige jongen met donker golvend haar, waar Bob Biezen zaterdagsmiddags een slag in legde. Hij lag goed bij de meisjes en samen met Mieleke beleefde hij menig avontuur, waarvan ik wel eens smeuïge details opving waar ik nog niets van begreep. Ome Jantje zou trouwen met een pronte blonde dame uit Terneuzen met de fraaie naam Jopie van Fraaijenhove. Ze kregen twee kinderen, de oudste, een meisje werd Diana genoemd naar opoe Jeane. Zoon Kees trok vele jaren later bij mij in de Burgemeester Dregmasstraat in. Hij ging de Pedagogische Academie doen. Diana zag ik bij de begrafenis van opoe. Het was een mooie jonge vrouw geworden.





 



sábado, 7 de noviembre de 2020

J´Ai Rendezvous Avec Vous: De Kist

 J´ai rendezvous avec vous 



De kist 


Op een dag zag ik voor het huis van de familie Geljon een grote houten kist staan.  Een manshoge en vierkante kist. Verwonderd keek ik er naar. Even later gonsde het door de straat: Geljon gaat emigreren. Naar Australie!  



Geljon woonde naast Jo Ludikuijze, de melkboer. Ludekuuze zoals wij zeiden. Jo de Melkboer. Ik zie hem nog voor me. Jo leurde losse melk in grote melkbussen op zijn bakfiets. Hij was altijd vrolijk en had een welluidende stem die galmde door de straat. Als hij aan de deur kwam gaf mijn moeder hem een pan of een kan en die bracht hij gevuld met melk weer terug. Tot op de dag van vandaag ben ik nog dol op melk. Naast Jo´s huis was er een poortje, het poortje van Jo. Het was niet bestraat en met Pietje Buijs knikkerde ik daar vaak. Pietje klepperde bij ons altijd aan de brievenbus en riep erdoor: “Sonnie kom je spelen?” 


Zoals gezegd: de familie Geljon woonde naast Jo Ludekuuze. Van ons huis uit gezien aan de overkant, rechts richting Noorpoortstraat. Moeder Geljon was een stevige, pronte vrouw met koperkleurig haar. Zo zie  ik haar nog  in de deuropening staan. Bij ons thuis werd ze Dikke Siene genoemd.  Hun zoontje heette Charles. Sjarl Geljon was een klein beweegelijk ventje en durfde alles. Hij hoorde bij die kinderzwerm die vaak in los verband met elkaar speelde: Circusje in de graanloods aan de Oude Werfstraat, voetballen met de lichtgrijze garagedeuren als goal op de Goese Korennmarkt. Dat klonk lekker als er gescoord werd. Plek van avontuur echter waren de Balkers ofwel de Loskaai waar o.a. enorme balken en stapels planken lagen. Tonnie Burgs probeerde eens op zo´n stapel te klimmen en kreeg vallend een lading planken over zich heen. Het was voor het eerst dat ik van een sleutelbeen hoorde, want dat had hij gebroken.  

  

In juli 1958 lagen er 2 zeekolossen aan de Loskade afgemeerd, de zogenaamde Liberty-schepen: de Afros en de Despina. Het waren Amerikaanse schepen die tijdens de oorlog legervoorraden van Amerika naar Europa hadden vervoerd en sindsdien ut de vaart waren genomen. 

In De Middelburgse Grachtengordel schrijft Thomas (Admin) dat het publiek in het begin de Afros mocht bezichtigen. Mijn vader had die mogelijkheid aan moeten grijpen en broer Frits en mij daar mee naar toe moeten nemen, maar dat is niet gebeurd dus konden wij als jongetjes slechts naar die enorme boten kijken en zorgen dat je niet tussen wal en schip terecht kwam, want zo wisten wij, dan zou je verzuipen.  

Sjarl Geljon wist toch op de een of andere manier aan boord te komen van de door de bemanning al lang verlaten Afros. Met een groepje jongens keken wij hoe hij tot boven in de schoorsteenpijp klom on daar vol lef capriolen uit te halen. Als een circus artiest in de trapeze zagen we hem aan een staaf in de pijp koppeltje duiken.  

Zoals gezegd: de familie Geljon emigreerde naar het verre onbekende Australie en Sjarl, de waaghals zag ik nooit meer. 

Liberty schepen: de Afros en de de Despina, Loskade 1958 

 

 

 

 



Beirut In The Fourties (Next Stop Loneliness)

Next Stop Loneliness  heeft als thema de stad Beirut in de jaren 40 van de vorige eeuw. Beirut in the 1940s was  a transformative decade, ma...